Gegevensbescherming

WODC: de Staat van het Notariaat

Het notariaat is naast de advocatuur en de gerechtsdeurwaarderij een van de juridische beroepsgroepen die burgers en ondernemers in staat stellen hun recht te halen en juridische geschillen op te lossen. Deze juridische beroepen dragen bij aan de toegang tot het recht en aan het goed functioneren van de rechtsbedeling.

De notaris verschaft rechtszekerheid, bevordert rechtsbescherming en waarborgt een goed functionerend rechtsverkeer door advisering en het vastleggen van rechtshandelingen en/of rechtsverhoudingen in notariële akten. De notaris is openbaar ambtenaar, maar ook ondernemer als vrij juridisch beroep. Een notaris mag de tarieven die hij cliënten in rekening brengt zelf bepalen.

In opdracht van het WODC voeren we onderzoek uit naar de aanbodzijde van de notariële dienstverlening, waarbij de aantrekkelijkheid en toekomstbestendigheid van het beroep centraal staan. We kijken naar ontwikkelingen binnen de beroepsgroep en de beroepsopleiding. Het onderzoek voeren we uit aan de hand van literatuur- en documentstudie, interviews, een enquête en een expertmeeting. De resultaten worden naar verwachting in de loop van het najaar van 2025 gepubliceerd.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW): privacy en voorkomen discriminatie bij de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI)

Voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) onderzochten Pro Facto, Hooghiemstra & Partners en Femke de Vries hoe de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI) omgaat met privacy en het voorkomen van discriminatie. In de LSI werken overheidsorganisaties zoals gemeenten, het UWV en de Nederlandse Arbeidsinspectie samen in projecten. Dit doen ze om te zorgen dat mensen en bedrijven zich houden aan de regels in de sociale zekerheid (bijvoorbeeld voor uitkeringen) en de arbeidswetten. Een project kan gaan over een wijk of gebied. Of over een onderwerp of een soort bedrijven, zoals de horeca.

Uit het onderzoek blijkt dat er veel aandacht is voor privacy, maar dat de samenwerking tussen overheidsorganisaties hierin verbeterd kan worden. De organisaties binnen een LSI-project hebben onvoldoende inzicht in elkaars gebruik van persoonsgegevens, terwijl gezamenlijke verantwoordelijkheid nodig is.

Voor het voorkomen van discriminatie zijn te weinig maatregelen vastgelegd. Er wordt onvoldoende getoetst of projecten (onbedoeld) leiden tot ongelijke behandeling, vooral als het gaat om indirecte discriminatie.

Daarom adviseren we overheidsorganisaties om bij LSI-projecten vanaf het begin bewuster om te gaan met privacy en gelijke behandeling, met betere samenwerking, duidelijke verantwoording en strengere controles.

Lees hier direct het rapport, of klik hier voor de Tweede Kamer-documenten.

WODC: controle digitale gegevensdragers

Ongeveer 300 keer per jaar legt de rechter een voorwaardelijke straf op met als voorwaarde een controle van de digitale gegevensdragers. De Reclassering is verantwoordelijk voor het toezicht, waarbij de politie tot medio 2023 in opdracht van de Reclassering met specifieke software het technisch onderzoek voor haar rekening nam.

Samen met Hooghiemstra & Partners en Ester Post (Rijksuniversiteit Groningen) hebben we onderzoek gedaan naar deze controle van digitale gegevensdragers van personen die zijn veroordeeld voor online seksueel misbruik van kinderen. Aanleiding was dat zowel de politie als de Reclassering problemen ondervond met deze werkwijze. De politie had te maken met capaciteitsproblemen en zag de controle niet als haar kerntaak. De Reclassering had zorgen over de juridische toelaatbaarheid van de controle.

Het onderzoek bestond uit drie delen:

  • Een evaluatie van de oude controlemethode;
  • Een onderzoek naar de doorontwikkeling van de controles; en
  • Een verkenning om te zien of de controlemethode kan worden uitgebreid naar andere online delicten.

De belangrijkste aanbeveling over de doorontwikkeling van de controle is dat wanneer een rechter een controle als bijzondere voorwaarde oplegt, deze ook daadwerkelijk door de Reclassering moet worden uitgevoerd. De Reclassering heeft daarvoor meer capaciteit en middelen nodig om de controle zelfstandig uit te kunnen voeren. Daarvoor zal de Reclassering extra personeel met de juiste ICT-vaardigheden moeten aannemen.

Ook zullen het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Rechtspraak en de Reclassering – los van de individuele casuïstiek – meer met elkaar in overleg moeten treden over de formuleringen van de bijzondere voorwaarde en de uitvoerbaarheid ervan. De focus van de controle moet liggen op het verkrijgen van inzicht in risicovol gedrag. De software dient dit geautomatiseerd te kunnen detecteren.

Tot slot bevelen we in het licht van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet aan om een specifieke rechtsgrondslag te creëren in een wet in formele zin voor de controle van gegevensdragers.

Klik hier voor het onderzoeksrapport.

Klik hier voor de factsheet.

Nederlandse Orde van Advocaten: toezicht, klacht- en tuchtrecht

In opdracht van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) gaan we onderzoek doen naar het toezicht op de advocatuur en het klacht- en tuchtrecht. De resultaten moeten een uitweg bieden uit de impasse waarin de discussie over het toezicht momenteel verkeert. In navolging van het vorige kabinet is de NOvA voorstander van de oprichting van een Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur. Dat instituut zou zich uitsluitend moeten bezighouden met het toezicht op advocaten. De behandeling van klachten tegen advocaten blijft in dat voorstel bij de lokale dekens, die op dit moment ook belast zijn met het toezicht. De Tweede Kamer nam vorige zomer echter een motie aan, waarin erop wordt aangedrongen om zowel toezicht als klachtbehandeling bij de OTA onder te brengen. De algemene raad van de NOvA wil een nader onderzoek om te komen tot een definitieve visie.

WODC: demonstratievrijheid

Het recht om te demonstreren zoals neergelegd in onze Grondwet en in internationale verdragen is een groot goed in een democratische rechtsstaat. Desalniettemin betreft het geen absoluut recht en is het zaak dat de uitoefening van dit recht er niet toe leidt dat onevenredig afbreuk wordt gedaan aan andere rechten, vrijheden en belangen. Pro Facto (Heinrich Winter, Erwin Krol, Joachim Bekkering en Marieke Diekema) gaat onderzoek door naar dit demonstratierecht. Zij maken deel uit van een groter onderzoeksteam, bestaande uit Berend Roorda en Noor Swart (Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen), Joeri Bemelmans en Alice Dejean de la Bâtie (Tilburg University) en Klaas Rozemond (Universiteit van Amsterdam). Opdrachtgever is het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC).

Het spanningsveld tussen enerzijds de demonstratievrijheid en anderzijds andere rechten, vrijheden en belangen doet zich de laatste jaren met name voor bij drie tamelijk indringende demonstratietypen:

  • Demonstraties waarbij demonstranten moedwillig de grenzen van het recht overschrijden, zoals het geval kan zijn bij blokkade- en bezettingsacties.
  • Demonstraties waarbij fundamentele rechten van derden in het gedrang kunnen komen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan demonstraties pal voor de ingang van een abortuskliniek en demonstratieve koranvernielingen in de nabijheid van een moskee.
  • Demonstraties die internationaal spanning kunnen opleveren. Voorbeelden hiervan zijn demonstraties in de nabijheid van een ambassade of waaraan een afgevaardigde van een buitenlands regime deelneemt die als onwenselijk wordt beschouwd door de Nederlandse autoriteiten.

De onderzoeksvraag is of het Nederlandse demonstratierecht zoals dat is neergelegd in onder meer de ruim 35 jaar oude demonstratiewet - de Wet openbare manifestaties - voldoende handvatten biedt om dergelijke tamelijk indringende demonstraties te reguleren op een wijze die recht doen aan enerzijds de fundamentele demonstratievrijheid en anderzijds andere rechten, vrijheden en belangen.

Mixed-methodsbenadering

De onderzoekers hanteren een mixed-methodsbenadering, waarin zij doctrinair, rechtsvergelijkend en empirisch onderzoek combineren. Het onderzoek bevat een rechtsvergelijking met de aanpak van demonstraties in Duitsland, Engeland en Frankrijk. Daarnaast wordt met enquêtes - onder meer onder alle burgemeesters in Nederland -, interviews en casestudy’s onderzocht hoe het demonstratierecht in de praktijk functioneert en in hoeverre volgens betrokkenen in de Nederlandse rechtspraktijk het huidige wettelijke kader voldoende handvatten biedt om de bovengenoemde drie typen demonstraties te reguleren.

Uitkomsten en duur van het onderzoek

De uitkomsten van het onderzoek worden opgeleverd aan het WODC, dat de resultaten zal publiceren. Aan de hand daarvan kan de regering bepalen of zij aanpassingen in wet- en regelgeving wil voorleggen aan het parlement. Naar verwachting wordt het WODC-rapport aan het einde van de zomer van 2025 opgeleverd.

WODC: evaluatie projecten Financieel Expertise Centrum

Het Financieel Expertise Centrum (FEC) is een samenwerkingsverband van toezichthouders, opsporingsinstanties en andere autoriteiten in de financiële sector. Door kennis en inzichten te delen, zowel intern als extern, werkt het FEC aan een sterke, integere financiële sector. De gezamenlijke aanpak en verbeterde informatiepositie maken het mogelijk om financieel-economische criminaliteit en niet-integer gedrag effectiever aan te pakken en te voorkomen.

Het FEC voert zijn werk voor een belangrijk deel uit via projecten, waarbij geschikte partijen en soms ook private partijen (banken) de handen ineen slaan voor een succesvolle aanpak. Pro Facto evalueert in opdracht van het WODC acht van deze projecten. De rode lijnen uit deze evaluaties helpen ons lessen te trekken voor de toekomstige organisatie van projecten.

Rekenkamer Midden-Groningen: integriteit

Integriteit is een belangrijke pijler van de kwaliteit van het openbaar bestuur. Reden voor de rekenkamer van Midden-Groningen om onderzoek te laten doen hoe de gemeente de integriteit van ambtenaren, politieke ambtsdragers en leden van de rekenkamer op papier geborgd heeft.

In ons onderzoek is gebleken dat integriteit op papier prima is geregeld. Er zijn diverse documenten waarin de regels en uitgangspunten op papier zijn gezet. Aan de wettelijke verplichtingen voor het beleid, zoals het voeren van een integriteitsbeleid voor de ambtelijke organisatie en het opstellen van gedragscodes voor de raad en het college, wordt daarmee voldaan. Over het algemeen zijn er geen grote knelpunten als het gaat over wat op papier is vastgelegd.

Ons onderzoek ging er niet over of in de praktijk ook integer wordt gehandeld, dus daar kunnen we niets over zeggen. Wat ons wel opviel is dat er zowel bij de raad als bij het college geen gemeenschappelijke beelden zijn van wat integer is en wat niet meer integer is. Waar het ene collegelid bijvoorbeeld vindt dat elke schijn van belangverstrengeling moet worden voorkomen (ook als de belangenverstrengeling er niet is), vindt de ander dat schijn maar betrekkelijk is en dat het gaat om het handelen. In de raad is integriteit in zekere mate een gevoelig onderwerp. Raadsleden vinden het lastig om elkaar aan te spreken op integriteit omdat de ontvanger van de boodschap over het algemeen snel het idee heeft dat er sprake is van een beschuldiging. Er is in de raad geen gedeelde norm over wat wel en niet integer handelen is. De opvattingen hierover lopen uiteen net als de opvattingen over hoe in specifieke situaties moet worden gehandeld. We bevelen daarom zowel voor de raad als voor het college aan om het vaker over integriteit te hebben en dan ook tot gemeenschappelijke normen te komen.

Klik hier om het rapport te downloaden. 

Evaluatie van het tuchtrecht in de Wet BIG

Het medisch tuchtrecht heeft als doel om de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de gezondheidszorg op peil te houden. Het tuchtrecht heeft twee functies. Ten eerste het bevorderen van het lerend vermogen van de sector. Ten tweede het corrigeren van disfunctionerende beroepsbeoefenaren en hen zo nodig uitsluiten van de beroepsuitoefening.

In 2019 heeft een groot aantal wijzigingen in het tuchtrecht plaatsgevonden. De wijzigingen houden onder andere in dat de tuchtrechter de mogelijkheid heeft om de beroepsbeoefenaar een breed beroepsverbod op te leggen; dat de inspectie aan een beroepsbeoefenaar een last tot onthouding van beroepsactiviteiten kan opleggen; dat er voor de klager na indiening van de klacht nog de mogelijkheid is die te wijzigen; dat de tweede tuchtnorm is uitgebreid; dat het tuchtcollege een tucht-klacht gegrond kan verklaren zonder een maatregel op te leggen; en dat er een griffierecht is ingevoerd.

In deze evaluatie onderzoeken we hoe het tuchtrecht functioneert sinds de wetswijziging in 2019. We zijn in november gestart met twee oriënterende groepsbijeenkomsten: één met beroepsgroepen en één met tuchtcolleges en de IGJ. De komende maanden zullen we een groot aantal interviews uitvoeren, waaronder met voorzitters en leden van tuchtcolleges, tuchtklachtfunctionarissen, inspecteurs, het Landelijk Meldpunt Zorg en gesprekken met klagers en beklaagden. Daarnaast onderzoeken we in hoeverre de route van het strafrecht naast het tuchtrecht wordt bewandeld, door een interview met het Openbaar Ministerie. Aanvullend vindt documentstudie plaats, waaronder de bestudering van jaarverslagen.

Het onderzoek zal in het najaar van 2025 worden afgerond.

Rekenkamer De Wolden: inwonerparticipatie

Inwonerparticipatie is niet meer weg te denken bij gemeenten. Voor de kwaliteit van en draagvlak voor beleid en dienstverlening is het van belang dat inwoners en organisaties mee kunnen denken over hoe beleid vorm moet krijgen. Dit heeft gevolgen voor de klassieke rolverdeling in het werken door een overheid, zowel extern (verhouding tot burgers en partijen) als intern (bijvoorbeeld de rol van de raad). Algemeen is er behoefte aan meer helderheid voor alle betrokkenen: wat willen we met inwonerparticipatie, hoe geven we er vorm aan en wanneer passen we die toe?

Inmiddels we steeds meer expertise over dit onderwerp op te bouwen. Na rekenkameronderzoeken in Staphorst, Midden-Drenthe, Meppel en Tiel gaat Pro Facto dit onderwerp nu voor de rekenkamer van de gemeente Wolden onder de loep nemen. We gaan zowel in de breedte in kaart brengen hoe participatie is ingezet, als in de diepte onderzoeken hoe dit wordt ervaren door bestuur en medewerkers van de gemeente, en natuurlijk door de inwoners zelf.

 

WODC: gevolgen van woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet

Artikel 13b Opiumwet – ook wel bekend als de Wet Damocles – geeft burgemeesters de bevoegdheid een maatregel (sluiting, last onder dwangsom of waarschuwing) op te leggen als er in een pand sprake is van drugshandel of aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs.

Het doel van het opleggen van een maatregel is om de ongewenste situatie in de woning te beëindigen. Daarnaast richt de maatregel zich doorgaans op het herstellen van de orde en rust in de directe omgeving en moet het bijdragen aan de bestrijding van drugscriminaliteit. Naast deze beoogde effecten heeft een Damoclesmaatregel vaak ook niet-beoogde, maar wel verstrekkende gevolgen voor bewoners, eventuele gezinsleden, omwonenden en verhuurders. Dit zijn gevolgen waar gemeenten en politie doorgaans weinig zicht op hebben.

In 2023 voerde Pro Facto onderzoek uit naar hoe deze gevolgen onderzocht en in kaart gebracht zouden kunnen worden. Met dit onderzoek geven we daar een vervolg aan. We gaan in verschillende gemeenten casestudy- en buurtonderzoek uitvoeren naar recente woningsluitingen. We gaan na in welke mate de beoogde doelen van de maatregel zijn gerealiseerd en welke neveneffecten zijn opgetreden. Het onderzoek voeren we in opdracht van het WODC uit in samenwerking met mr. dr. Michelle Bruijn en Prof. dr. mr. Michel Vols van de Rijksuniversiteit Groningen. 

Chantal Ridderbos-Hovingh

uw contactpersoon
Chantal Ridderbos-Hovingh

Chantal is voor dit onderwerp onze contactpersoon.
Meer informatie over haar vindt u hier.
050 313 98 53

Neem contact op met Chantal

Zoeken