Gegevensbescherming

WODC: evaluatie Wet beperking oplegging taakstraffen

Sinds 1989 is de taakstraf naast de vrijheidsstraf en de geldboete één van de hoofdstraffen in het Wetboek van Strafrecht (Sr). In die vijfentwintig jaar heeft de taakstraf zich ontwikkeld tot een sanctie die zich qua zwaarte tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in bevindt. Op 3 januari 2012 werd de Wet beperking oplegging taakstraffen van kracht waarmee een nieuw artikel 22b Sr geïntroduceerd werd. Met deze wetswijziging en gelijktijdige aanscherping van het OM-vorderingsbeleid werd de mogelijkheid om een taakstraf te vorderen en op te leggen in een tweetal gevallen ingeperkt. Het gaat om veroordelingen voor ernstige zeden- of geweldsmisdrijven en gevallen waarin eerder een taakstraf is opgelegd wegens een soortgelijke misdrijf. In die gevallen kan de rechter enkel een taakstraf opleggen indien daarnaast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.

In opdracht van het WODC heeft Pro Facto ruim 4 jaar na inwerkingtreding het evaluatieonderzoek naar deze wet verricht. Het doel van het onderzoek was vast te stellen of de invoering van artikel 22b Sr in samenhang met de aanscherping van het vorderingsbeleid van het OM heeft geleid tot een blijvende aanpassing van de toepassingspraktijk van het vorderen en opleggen van taakstraffen en of de door de wetgever beoogde effecten zijn ingetreden.

De effecten van de wetswijziging voor het maatschappelijk draagvlak zijn onderzocht met behulp van een kwantitatieve COOSTO-analyse van sociale media-berichten en door de bestudering van enkele case study’s die aanleiding gaven tot grote maatschappelijke ophef. Deze cases waren Project X Haren, een dodelijk verkeersongeval, ongeregeldheden bij een KNVB-bekerfinale en een mishandeling door een ‘kopschopper’. In alle cases had de rechter artikel 22b Sr juist toegepast, maar toch leidde het vonnis tot maatschappelijke onrust. Mogelijke oorzaken van deze onrust kunnen onder andere gevonden worden in stereotiepe daderbeelden (bijvoorbeeld ten aanzien van de etniciteit), media-aandacht en omvang van het slachtofferleed. Ook spelen factoren van strafrechtelijke aard een rol: bijvoorbeeld indien de dader een relatief klein aandeel had bij een misdrijf waarbij veel plegers betrokken waren, zoals ingeval van Project X Haren.

Daarnaast is een grootschalige kwantitatieve analyse gemaakt van de registratie van alle vonnissen in de periode 2009-2014 waarin een taakstraf werd opgelegd. Uit deze verzameling is een steekproef van honderd zaken meer in detail bestudeerd. Hieruit kwamen enkele trends naar voren. Op grond van deze gegevens kon onder meer worden vastgesteld dat het aandeel taakstraffen zonder onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor zeden- en geweldsmisdrijven die gelet op het formele criterium vallen onder de werking van artikel 22b lid 1 Sr gedaald is. In de gevallen waarin de rechter wel een taakstraf zonder onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegde, bleek op grond van de kwalitatieve analyse veelal geen te sprake zijn van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit, waardoor niet werd voldaan aan het materiële criterium in artikel 22b lid 1 Sr. Rechters lijken daarmee te vonnissen in lijn met de wet.

Ook in geval van soortgelijke recidive (lid 2) is het aantal vonnissen met een taakstraf zonder onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zowel in absolute als relatieve zin gedaald. Deze trend is in overeenstemming met de bedoelingen van de wetgever.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat het OM en rechters binnen de ruimte die hen geboden wordt door de wetgever steeds een nauwgezette afweging maken van strafmodaliteiten en hun werking. Er doen zich veel zaken voor waarin een strafcombinatie van een voorwaardelijke gevangenisstraf met gedragsbeïnvloedende voorwaarden met een taakstraf de aangewezen aanpak is. Met de wet is deze mogelijkheid vervallen. De onderzoekers bevelen de minister aan deze combinatie weer mogelijk te maken. Bij brief van 22 januari 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming aangekondigd om voor de zomer van 2018 zijn beleidsreactie, waarbij hij tevens ingaat op deze aanbeveling, aan de Kamer te zenden.

Klik hier om het eindrapport te downloaden.

Zo mild is Nederlandse rechter niet (Volkskrant, 24 januari 2018)

 

Rekenkamercommissie Schagen en Toetsingscommissie Hollands Kroon: achtergrond beëindiging bestuursovereenkomst COWWI

De buurgemeenten Hollands Kroon en Schagen werkten van 1 januari 2015 tot december 2016 samen in de uitvoering van taken op het sociaal domein. Deze samenwerking was geregeld in een bestuursovereenkomst genaamd Centrale Ondersteuning Wijkteam, Werk en Inkomen (COWWI). COWWI was een afdeling van de gemeente Schagen, die voor beide gemeenten de administratie uitvoerde voor de Wmo 2015, Jeugdzorg en Schuldhulpverlening. Daarnaast voert het COWWI de Participatiewet uit (Werk en Inkomen), de leerplicht en RMC-taken.

Het college van B&W van de gemeente Hollands Kroon maakte in februari 2016 bekend dat het taken van COWWI wilde ‘afschalen’. In december besloten de colleges van beide gemeenten de samenwerking in het kader van COWWI per 1 april 2017 geheel te beëindigen. De aangevoerde reden was een niet te overbruggen verschil van mening over de wijze van bedrijfsvoering in het samenwerkingsverband. Beide gemeenteraden waren verrast door dit besluit, ook was er verwondering over de reden. Een deel van de werkzaamheden voor de Wmo en Jeugdwet is per 1 januari 2017 overgegaan naar de gemeenten. Voor de overige werkzaamheden is dat per 1 april 2017 gebeurd. De beide gemeenteraden kregen in december 2016 formeel een raadsvoorstel over het beëindigen van de bestuursovereenkomst ter besluitvorming. In de pers circuleerden berichten over financiële tekorten.

Pro Facto gaat in samenwerking met Harold van Dijk (Lexnova) onderzoek doen naar de beëidiging van de samenwerking. Doel is het verkrijgen van inzicht in zowel oorzaken als gevolgen ervan. Een bijzonder aandachtspunt vormt de vraag of toezeggingen tijdig zijn nagekomen. Referentiepunten hiervoor zijn met name de bidboeken en ‘kritieke prestatie-indicatoren’. De vraag naar de gevolgen van ontbinding van de samenwerking beperkt zich tot de financiële en personele nasleep. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt:

Hoe was de samenwerking COWWI vormgegeven, waarom werd deze samenwerking vroegtijdig beëindigd en welke directe financiële en personele gevolgen heeft de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst gehad?

 

Rekenkamer West-Brabant: toezicht en handhaving

Handhaving van wet- en regelgeving (zoals gemeentelijke verordeningen, bestemmingsplannen en regels die zijn verbonden aan vergunningen) is een belangrijk onderdeel van de taken van het gemeentebestuur. Idealiter worden deze regels spontaan nageleefd, in de praktijk zal echter nooit sprake zijn van volledig regelconform gedrag. Daarom dient er toezicht te worden gehouden op naleving van deze regels en – indien nodig – te worden gehandhaafd om regelnaleving af te dwingen. Onder handhaving kan elke actie worden verstaan die erop gericht is om de naleving van regels te bevorderen en te bewerkstelligen.

Bestuursorganen van de gemeente moeten toezicht houden op ongeveer 190 verschillende wetten en daarop gebaseerde regelingen. Dat maakt het onmogelijk om op alle gebieden hetzelfde niveau van handhaving te realiseren. Daarvoor zijn simpelweg te weinig tijd en middelen beschikbaar. Dat betekent dat er keuzes gemaakt moeten worden. Daarbij dienen vragen te worden gesteld als: hoe houden we toezicht, wanneer doen dat, wanneer gaan we over tot handhaving als er een overtreding wordt geconstateerd en welke maatregel moet er dan getroffen worden? Het is verstandig en op sommige beleidsterreinen zelfs verplicht dat dergelijke zaken worden vastgelegd in plannen en beleid.

In opdracht van de rekenkamer West-Brabant gaat Pro Facto (in samenwerking met John Smits) onderzoek doen naar handhaving binnen de drie deelnemende gemeenten binnen de regio van de Rekenkamer, te weten Drimmelen, Etten-Leur en Geertruidenberg. Wat betreft de scope van het onderzoek richten we ons op twee domeinen van gemeentelijke handhaving, te weten het fysieke domein en het veiligheidsdomein. In dit onderzoek onderscheiden wij de volgende hoofdvraag:

Wat is het toezicht- en handhavingsbeleid van de gemeenten Geertruidenberg, gemeente Drimmelen en gemeente Etten-Leur, hoe wordt dit uitgevoerd en hoe vindt sturing door de gemeenteraden plaats?

Om deze hoofdvraag te kunnen beantwoorden onderscheiden we drie onderzoeksthema’s.

  1. Beleid
  2. Uitvoering en organisatie
  3. Sturing door raad

 

ZonMw: evaluatie Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting

Donorkinderen kunnen sinds 2004 gegevens van hun donor opvragen. Sinds dat moment worden de gegevens centraal bijgehouden in een register. De evaluatie van deze wet laat zien dat op een aantal punten verbeteringen nodig zijn in de manier van registreren, de procedures rond het verstrekken van gegevens en de werkwijze van de Stichting die de gegevens beheert.

De afgelopen decennia is steeds duidelijker geworden dat donorkinderen willen weten van wie zij afstammen. Dat was voor de wetgever aanleiding een wet op te stellen die regelt dat donorkinderen identificerende gegevens van hun donor kunnen opvragen. Het is inmiddels vijftien jaar geleden dat de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) in werking is getreden. In 2021 worden de eerste kinderen die onder deze wet geboren zijn zestien jaar, waardoor zij identiteitsgegevens mogen opvragen over hun donor. Onderzoekers van Pro Facto, het Amsterdam UMC (locatie VUmc) en de Rijksuniversiteit Groningen hebben in opdracht van ZonMw onderzocht hoe deze wet in de praktijk werkt. Het onderzoek heeft geleid tot zeventien aanbevelingen aan het ministerie van VWS, de Stichting die gegevens bewaart, de klinieken en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). We noemen hier drie van deze conclusies.

De implementatie van het register waarin de gegevens bewaard worden, is traag tot stand gekomen. Klinieken moesten in de beginperiode overtuigd worden van het belang gegevens aan te leveren. Technische beperkingen in het systeem zorgden ervoor dat niet alle gegevens volledig of juist werden ingevuld. Het BSN van donoren wordt pas sinds 2014 ingevoerd. Hoeveel gegevens niet of niet juist zijn ingevoerd, is onduidelijk, omdat de Stichting gegevens pas controleert als een aanvraag van ouders, kinderen of de huisarts om gegevens van de donor binnenkomt.

Een andere bevinding is dat procedures onvoldoende zijn uitgewerkt. In uitzonderingsgevallen kan een donor volgens de wet ‘zwaarwegende belangen’ aanvoeren, waardoor gegevens niet aan het donorkind worden verstrekt. Wanneer sprake is van deze belangen en hoe de belangen moeten worden gewogen, is nog niet in een procedure vastgelegd. Ook is niet vastgelegd wie deze belangen moet beoordelen.

Bij inwerkingtreding van de wet konden ‘geheimhoudingsverklaringen’ getekend worden door anonieme donoren die vóór 2004 gedoneerd hebben. Deze verklaringen zijn ook voorgelegd aan donoren die bij de donatie hadden aangegeven dat hun identiteit verstrekt mag worden aan het kind (b-donoren), waardoor sommigen van hen zijn geswitcht van bekende naar anonieme donor. Dit is in strijd met de wet. In een recente brief van het ministerie en de Stichting aan de klinieken wordt aangegeven dat deze verklaringen nog steeds ingevuld mogen worden en dat gegevens uit het registratiesysteem worden verwijderd als een dergelijke verklaring wordt ingevuld. Ook dat is in strijd met de wet.

In de rol- en taakopvatting van de Stichting is ten opzichte van de eerste evaluatie van de Wdkb weinig veranderd, terwijl ook destijds is aanbevolen dat de Stichting tot heroverweging van haar taakuitvoering komt. De noodzaak daartoe is nog steeds aanwezig. De Stichting vult haar taken momenteel op (te) veel vlakken (te) reactief in. Een belangrijke aanbeveling is dat gegevens die worden ingevoerd in het register, al bij binnenkomst gecontroleerd worden door de Stichting. Nu gebeurt dat pas als een aanvraag van een ouder of kind binnenkomt, waardoor gegevens lastig zijn aan te vullen als de behandeling lang geleden plaatsvond. Nicolette Woestenburg, uitvoerend projectleider van de evaluatie, zegt hierover: ’De uitvoering van de wet blijkt ingewikkelder dan vooraf gedacht en er blijken meer dilemma’s te bestaan bij het opvragen en verstrekken van gegevens. Er zijn nog geen duidelijke richtlijnen vastgesteld hoe hiermee om te gaan.’ Hoe wordt bijvoorbeeld gecommuniceerd door de Stichting over het niet aanwezig zijn van gegevens in het registratiesysteem? Welke uitzonderlijke situaties leiden tot het niet verstrekken aan donorkinderen?

In het onderzoek is een analyse uitgevoerd van het Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen op informatie over hun afstammingsgeschiedenis is opgenomen. Dit verdrag is in 1995 door Nederland geratificeerd. Dat roept de vraag op hoe de anonimiteitswaarborg voor donoren die tussen 1995 en 2004 hebben gedoneerd, moet worden bezien. Het verdient aanbeveling dat dit verder door de minister wordt onderzocht.

Het evaluatierapport is aangeboden aan de minister en aan de Tweede Kamer. De onderzoekers roepen de minister en de Stichting op de aanbevelingen snel op te pakken, aangezien de eerste kinderen die onder deze wet vallen in 2021 zestien jaar worden en identiteitsgegevens van hun donoren mogen opvragen.

WODC: tarieven en kosten gerechtsdeurwaarders

Gerechtsdeurwaarders hebben een bijzondere positie in het Nederlandse rechtsbestel. Zij zijn als openbaar ambtenaar bevoegd om taken uit te voeren die op grond van de Gerechtsdeurwaarderswet aan hen opgedragen zijn. Op basis van deze wet verrichten ze ambtshandelingen zoals het oproepen van personen om voor de rechter te verschijnen, het leggen van beslag op inkomen of eigendommen, het ontruimen van huizen en het in gijzeling nemen van personen.

Met de invoering van de Gerechtsdeurwaarderswet gelden er twee soorten tarieven die gerechtsdeurwaarders berekenen voor de activiteiten die zijn verrichten. Ten eerste zijn er de vrije tarieven. Dit zijn tarieven die gerechtsdeurwaarders in rekening mogen brengen aan hun opdrachtgever, de cliënt. Deze tarieven (prijsafspraken) kunnen onderling door gerechtsdeurwaarder en opdrachtgever bepaald worden op basis van marktwerking (vraag en aanbod). Naast deze vrije tarieven gelden er tarieven die de gerechtsdeurwaarder bij de schuldenaar in rekening brengt. Deze tarieven zijn vastgelegd in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders en kunnen dus niet door een gerechtsdeurwaarder zelf bepaald worden. Deze tarieven worden door gerechtsdeurwaarders vaak als te laag beschouwd. De branche staat ook onder druk, in de jaren 2013 tot en met 2015 is de omzet van de gehele beroepsgroep afgenomen van € 421 miljoen in 2013 tot € 375 miljoen in 2016.

Het WODC laat door Pro Facto onderzoek uitvoeren naar de kostprijzen en prijsafspraken voor ambtshandelingen door gerechtsdeurwaarders. Dit bestaat uit twee deelonderzoeken. Het eerste richt zich op de kostprijzen van ambtshandelingen waarvoor de aan schuldenaars in rekening gebrachte tarieven zijn vastgelegd in het Btag. Het tweede deelonderzoek gaat over de vrije tarieven en kostprijzen die voor ambtshandelingen aan schuldeisers in rekening worden gebracht.

Pro Facto heeft in de persoon van Bieuwe Geertsema een financieel expert in dienst die een belangrijk deel van het onderzoek zal uitvoeren. Hij studeerde BedrijfsInformatieTechnolgie (Universiteit Twente) en Economics (Rijksuniversiteit Groningen). Hij promoveerde op zijn proefschrift over de financiële effecten van gemeentelijke herindeling en intergemeentelijke samenwerking, dat hij schreef als onderzoeker bij het COELO, een economisch onderzoeksinstituut van de Rijksuniversiteit Groningen. We werken in het onderzoek samen met Geert Pieter Vermeulen, oud-directeur van het Bureau Financieel Toezicht en afgestudeerd als (forensisch) registeraccountant.

.

Raad voor de Rechtspraak: evaluatie Spreekuurrechter

Op 1 oktober 2016 is de Rechtbank Noord-Nederland een pilot gestart met de Spreekuurrechter. Deze nieuwe en experimentele procedure Spreekuurrechter beoogt snel en laagdrempelig contact met de rechter te bieden gericht op het oplossen van geschillen. Kenmerkend is de mondelinge behandeling op de zitting zonder voorafgaande uitwisseling van processtukken.

De pilot Spreekuurrechter startte op 1 mei 2016 en partijen konden tot 1 mei 2018 hun zaak bij de Spreekuurrechter aanbrengen. In september 2016 werd de eerste zaak aangemeld. In ruim anderhalf jaar zijn (via de verwijzers) in totaal 64 zaken behandeld, waarvan er 58 eindigden in een schikking tussen de partijen. Het ging vooral om burenruzies, maar bijvoorbeeld ook om conflicten over een verbouwing of een aankoop. Vaak gingen de rechters ter plaatse om met eigen ogen te zien wat er speelde, ook omdat er geen schriftelijke stukken waren waarop zij zich konden baseren. De betrokkenen mochten hun zaak namelijk met een eenvoudige mededeling (zoals ‘de boom van de buren is te hoog’) aanmelden. Als de rechter beide partijen had aangehoord, stuurde hij aan op een compromis. Lukte dat niet, dan hakte hij alsnog de knoop door.

Op basis van de uitkomsten van deze evaluatie beoordelen wij de pilot Spreekuurechter als een ‘gekwalificeerd succes’. Er is sprake van een hoog schikkingspercentage en de meeste partijen zijn (zeer) positief over zowel het optreden van de Spreekuurrechter als de uitkomst van de procedure. Vooral bij burengeschillen lijkt de Spreekuurrechter bij te dragen aan een verbeterde, laagdrempelige toegang tot de rechtspraak. Alles bij elkaar lijkt de pilot Spreekuurrechter een goed voorbeeld van ‘maatschappelijk effectieve rechtspraak’.

Er zijn ook kanttekeningen te maken. Slechts 40 procent van de aangemelde zaken is ook echt door de Spreekuurrechters behandeld, vooral omdat het lang niet altijd lukte om medewerking van beide partijen te krijgen. Dat is wel een vereiste van het wetsartikel (art. 96 Rv) dat zo’n vereenvoudigde procedure mogelijk maakt. Bovendien konden belangstellenden zich niet zelf melden bij de Spreekuurrechter. De Spreekuurrechter boog zich dus eigenlijk alleen over zaken die zich relatief goed voor een schikking leenden.

Het onderzoek is uitgevoerd door een onderzoeksteam van Pro Facto en de vakgroep Staatsrecht, Bestuursrecht en Bestuurskunde, RuG, onder leiding van prof. Marc Hertogh.

Klik HIER om het eindrapport te downloaden.

 

WODC: evaluatie regeling DNA-verwantschapsonderzoek

Bij DNA-verwantschapsonderzoek in strafzaken worden DNA-profielen vergeleken waarbij wordt gezocht naar indicaties van familierelaties met de mogelijke dader. Het vaststellen van een familieband kan van grote toegevoegde waarde zijn als de politie geen concrete aanwijzingen heeft over de identiteit van de dader. Het DNA-verwantschapsonderzoek kan dan een ingewikkeld of vastgelopen opsporingsonderzoek (weer) vlot trekken. Pro facto heeft de wet geëvalueerd die per 1 april 2012 DNA-verwantschapsonderzoek in strafzaken mogelijk heeft gemaakt. De vraag die centraal stond in dit onderzoek was in hoeverre deze DNA-verwantschapsonderzoeken hebben bijgedragen aan het bereiken van de doelstelling daarvan en welke neveneffecten en knelpunten zich bij DNA-verwantschapsonderzoek voordoen.

Bij de totstandkoming van de regeling DNA-verwantschapsonderzoek is een aantal mogelijke neveneffecten van DNA-verwantschapsonderzoek genoemd dat te maken heeft met de rechten van betrokken personen. Zo zouden onschuldige personen ten onrechte betrokken kunnen worden in een opsporingsonderzoek en zou de toepassing van DNA-verwantschapsonderzoek kunnen leiden tot stigmatisering en discriminatie van bevolkingsgroepen. Ook zou er ongewenste informatie over het wel of niet bestaan van verwantschap tussen veronderstelde familieleden aan het licht kunnen komen.

Uit de evaluatie blijkt dat deze verwachtte neveneffecten zich in de praktijk niet of nauwelijks hebben voorgedaan. Een belangrijk knelpunt dat uit het onderzoek naar voren is gekomen is dat kennis over de mogelijkheden van DNA-verwantschapsonderzoek nog beperkt is binnen politie en justitie. Daardoor worden mogelijk kansen gemist in de opsporing. Daarnaast wordt DNA-verwantschapsonderzoek in de praktijk vaak als ultimum remedium ingezet terwijl vroegtijdige inzet van DNA-verwantschapsonderzoek (met name via de DNA-databank) veel onnodig traditioneel recherchewerk kan voorkomen zoals het plaatsen van telefoontaps, het stelselmatig observeren van mogelijke verdachten, hen aanhouden en verhoren. Deze middelen maken bovendien mogelijk zelfs een verdergaande inbreuk op het recht van privéleven van betrokkenen dan DNA-verwantschapsonderzoek.

In absolute aantallen is de inzet van het DNA-verwantschapsonderzoek als opsporingsmiddel beperkt. Tussen 2012 en 2018 zijn er naar schatting ongeveer 160 onderzoeken gedaan waarin actief werd gezocht naar verwantschap. In een gedeelte van de onderzoeken is daarbij gebruik gemaakt van de DNA-databank. Ongeveer 20 procent van de onderzoeken waarin met behulp van de DNA-databank naar een mogelijke verwant is gezocht, leverde een (mogelijke) verwant op terwijl blijkens de wetsgeschiedenis uitgegaan was van een veel lager percentage (5 procent). DNA verwantschapsonderzoek via de DNA databank heeft er in enkele cold cases toe geleid dat de dader is opgespoord. Grootschalig DNA-onderzoek heeft in de zaken van Vaatstra, Van Doorn en Verstappen bijgedragen aan het vinden van de (vermoedelijke) dader.

Klik hier om het eindrapport te downloaden.

Rekenkamercommissie Westerveld: werking Sociale Structuurvisie

De gemeenteraad van Westerveld heeft op 3 juli 2012 de Sociale Structuurvisie vastgesteld. De visie richt zich op de toekomst(bestendigheid) van de maatschappelijke voorzieningen binnen de (verschillende dorpen van) de gemeente Westerveld. De Sociale Structuurvisie legt de visie neer ten aanzien van het behoud en de realisatie van een kwalitatief goed, passend en toekomstbestendig niveau van maatschappelijke voorzieningen. Met deze visie wil de gemeente richting geven aan de toekomst, met als doel om de vitaliteit van de dorpen voor de inwoners te waarborgen. De maatschappelijke voorzieningen die genoemd worden in de visie zijn scholen, dorpshuizen, openluchtzwembaden, andere binnen- en buitensportaccommodaties, bibliotheken en culturele en welzijnsvoorzieningen. Al deze voorzieningen hebben volgens de Structuurvisie een functie voor de lokale gemeenschap, alhoewel het belang van de verschillende voorzieningen uiteen kan lopen.

De structuurvisie is inmiddels vijf jaar geleden vastgesteld. In deze periode hebben het college en de raad verschillende besluiten genomen die de maatschappelijke voorzieningen in de gemeente Westerveld raken. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het toekennen van subsidies aan dorpshuizen, het vaststellen van gebruikerstarieven voor sportvoorzieningen en het vaststellen van een Integraal Huisvestingsplan. De rekenkamercommissie wil weten of de Sociale Structuurvisie de beoogde interne en externe werking heeft gehad bij het nemen van deze besluiten en lering trekken uit het gebruik van een beleidsdocument als een Sociale Structuurvisie.

 

Rekenkamercommissie Zwartewaterland: opvolging aanbevelingen

De rekenkamercommissie van de gemeente Zwartewaterland wil weten in hoeverre de aanbevelingen van de commissie (volledig) worden overgenomen en in hoeverre hieraan uitvoering is gegeven. Met andere woorden: de rekenkamercommissie wil inzicht in de doorwerking van de aanbevelingen van rekenkameronderzoeken en hoe dit (implementatie- en monitorings-)proces eruit ziet. Wij gaan dit onderzoek uitvoeren.

Zorginstituut Nederland: Wet langdurige zorg. Tussen wal en schip

Het stelsel voor bekostiging van de gezondheidszorg is de afgelopen jaren ingrijpend hervormd. In 2006 werd de Zorgverzekeringswet (Zvw) ingevoerd, gevolgd door de invoering van de eerste Wmo in 2007. In 2015 volgden verdere stelselwijzigingen met de invoering van de nieuwe Wmo 2015 en de Jeugdwet; beide uit te voeren door gemeenten. Ook werd in dat jaar de Wet langdurige zorg ingevoerd en de AWBZ ingetrokken nadat uit deze laatste in de voorafgaande jaren al diverse onderdelen waren overgeheveld naar de Zvw en de Wmo 2015. De afbakening tussen deze wetten is in de praktijk niet altijd makkelijk te bepalen, waardoor sommige mensen tussen wal en schip vallen.

Pro Facto heeft, in samenwerking met ARGO en in opdracht van Zorginstituut Nederland, onderzoek uitgevoerd of mensen met psychische aandoeningen en die daarnaast ook andere aandoeningen of beperkingen hebben, passende zorg krijgen. We hebben vijf verschillende ‘groepen’ patiënten getypeerd die ‘tussen wal en schip’ vallen. Dat betreft mensen met langdurige ggz problematiek die geen passende zorg ontvangen. Dit zijn:

1. Mensen met GGZ-problematiek en andere problematiek (‘gecombineerde problematiek’)
2. Mensen die een wisselende intensiteit van ggz-problematiek ervaren waarbij de behoefte aan 24-uurszorg wisselt;
3. Jongvolwassenen met ggz-problematiek (18-/18+);
4. Mensen die zorg mijden en dak- en thuislozen;
5. Mensen met een niet aangeboren hersenletsel, waaronder Korsakov.

De problemen die ervaren worden in de zorg voor mensen met een psychische stoornis (in combinatie met een andere beperking en/of complexe omstandigheden) zijn onder vier thema’s ondergebracht; toeleiding tot zorg, zorginkoop, passende zorg en samenwerking. De ervaren problemen komen bij veel cliënten voor. Bij een kleinere groep leidt dit tot grote problemen. Hieronder zijn de problemen schematisch weergegeven.

 

Klik hier om het eindrapport te downloaden.

Chantal Ridderbos-Hovingh

uw contactpersoon
Chantal Ridderbos-Hovingh

Chantal is voor dit onderwerp onze contactpersoon.
Meer informatie over haar vindt u hier.
050 313 98 53

Neem contact op met Chantal

Zoeken