Regeling over late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen biedt onvoldoende duidelijkheid en zekerheid

De Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen (de Regeling) biedt onvoldoende duidelijkheid en zekerheid aan artsen en heeft daardoor voor hen niet de functie die zij beoogt. Artsen zijn hierdoor terughoudend om een late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij pasgeborenen uit te voeren, ook wanneer de Regeling wel hiervoor de mogelijkheid biedt. De Regeling leidt wel tot de gewenste zorgvuldigheid van handelen en transparantie binnen de medische praktijk. Op basis van het evaluatieonderzoek, uitgevoerd door Pro Facto en het Amsterdam UMC, worden 22 aanbevelingen gedaan aan de ministers van VWS en JenV, de Beoordelingscommissie, de beroepsgroepen en patiëntenorganisaties.

Over de Regeling
De Regeling heeft drie doelen. Allereerst is dat het bieden van (meer) duidelijkheid en zekerheid aan artsen (en samenleving) over de ruimte die de wet voor late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen laat. De twee andere doelen van de Regeling zijn het waarborgen van een zorgvuldige medische praktijk op dit terrein en het zorgen voor transparantie in en maatschappelijke controle op die praktijk. Binnen de Regeling speelt de ‘Beoordelingscommissie’ een centrale rol. Een arts die late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij pasgeborenen uitvoert, dient een melding te doen bij deze commissie. De commissie beoordeelt of is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen van de Regeling. Vervolgens vindt een tweede toetsing plaats door het Openbaar Ministerie (OM) dat beslist over eventuele strafrechtelijke vervolging van de arts.

Tweede toets door Openbaar Ministerie
Een belangrijk knelpunt is dat het OM de toets van de Beoordelingscommissie volledig overdoet, ook als de commissie heeft geconcludeerd dat late zwangerschapsafbreking of levensbeëindiging bij pasgeborenen zorgvuldig is uitgevoerd. Deze tweede, door het OM uitgevoerde toets wordt door artsen als extra belastend ervaren en doet afbreuk aan hun vertrouwen in de Regeling. Omdat niet aan de kwaliteit van de oordelen van de beoordelingscommissie wordt getwijfeld, bevelen de onderzoekers aan het oordeel ‘zorgvuldig’ te beschouwen als een ‘eindoordeel’ dat niet langer mede aan het OM ter toetsing wordt voorgelegd.

Meer duidelijkheid en bekendheid
De onderzoekers bevelen ook aan sommige onderdelen van de Regeling te verduidelijken, zoals bijvoorbeeld het grijze gebied tussen levensbeëindiging bij pasgeborenen en medische handelingen die niet primair zijn gericht op beëindiging van het leven, maar mogelijk wel bekorting van het leven tot gevolg hebben. Meer bekendheid over de Regeling onder artsen én ouders is wenselijk, omdat lang niet altijd bekend is welke mogelijkheden de Regeling biedt.

Melding en uitvoering
Uit het evaluatieonderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen wel wordt uitgevoerd, maar niet wordt gemeld bij de Beoordelingscommissie. Wel lijken artsen vanwege zorgen over mogelijke strafrechtelijke vervolging minder vaak tot uitvoering van late zwangerschapsafbreking en LP bereid dan binnen de Regeling mogelijk was geweest. Bij pasgeborenen wordt de voorkeur gegeven aan andere handelingen, in geval van een zwangerschap kiezen ouders soms voor een afbreking in het buitenland. Dat roept de vraag op of voor de ouders en het kind dan wel steeds de beste oplossing wordt gekozen.

Nog weinig ervaring met levensbeëindiging bij pasgeborenen
De Regeling functioneert bij levensbeëindiging bij pasgeborenen nog nauwelijks. Sinds 2016 is slechts één geval van levensbeëindiging bij pasgeborenen bij de Beoordelingscommissie gemeld. Hierdoor heeft de commissie met de toetsing van levensbeëindiging bij pasgeborenen binnen de Regeling vrijwel geen ervaring opgedaan.

Gewenste juridische vormgeving  
De onderzoekers pleiten voor een steviger juridische basis van de regels voor late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen. Daartoe dient de huidige ministeriële regeling te worden omgezet naar een wettelijke regeling. Die stap lijkt zelfs noodzakelijk om de vele gegevensuitwisselingen die inherent zijn aan de beoordeling van een melding van een rechtmatige grondslag te voorzien.

Twee aparte regelingen
Vanwege de verschillen tussen late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen wordt ook aanbevolen te voorzien in twee afzonderlijke regelingen en beoordelingscommissies. De regeling die momenteel voor levensbeëindiging bij kinderen in de leeftijdsgroep van 1 tot 12 jaar in voorbereiding is en de regeling voor levensbeëindiging bij pasgeborenen zouden dan kunnen worden samengevoegd.

Meer weten?
Download of bestel hier het rapport. Voor meer informatie over het onderzoek en het evaluatierapport kunt u contact opnemen met de onderzoekers van Pro Facto: Erwin Krol (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.) of Nicolette Woestenburg (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.) of via T:050-3139853.

Pro Facto Tweets

Search