Corona-uitbraak en bezoek in verpleeghuizen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 januari1 een uitspraak gedaan in een kortgedingprocedure over de vraag of een verzorgingshuis de beslissing mag nemen om tijdelijk geen bezoek toe te laten vanwege een corona-uitbraak.

In een verzorgingshuis ergens in Noord-Holland was eind december 2020 sprake van een corona-uitbraak. In het verzorgingshuis waren 46 bewoners en 45 medewerkers positief getest. Op het moment van de behandeling van het kort geding waren acht bewoners overleden aan het virus en was één medewerker op de IC opgenomen met ernstige klachten. Een groot deel van de positieve tests betrof een besmetting met de zogenaamde Britse variant van het virus.

Mevrouw V.2 woont op een woongroep in het verzorgingshuis. Vijf van de zes bewoners van die groep, waaronder mevrouw, zijn besmet geraakt. Twee van de bewoners van de woongroep zijn overleden.

De zorginstelling heeft op 29 december 2020 besloten de deuren voor bezoekers van het verzorgingshuis te sluiten, met uitzondering van familie of naasten van bewoners die zich in de laatste levensfase bevinden.

Twee dochters van mevrouw V. zijn het niet eens met dit besluit en hebben in kort geding gevraagd om hen toegang te verlenen tot het verzorgingshuis om hun moeder te kunnen bezoeken. Zij voeren het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op family life aan.

Artikel 8 EVRM heeft volgens de voorzieningenrechter indirecte horizontale werking, wat wil zeggen dat burgers zich niet alleen tegenover de overheid op dit artikel kunnen beroepen, maar ook tegenover andere burgers. Artikel 8 EVRM biedt dan ook het kader waarbinnen de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen.

De dochters hebben recht op family life, het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven. De voorzieningenrechter wijst er in het vonnis echter op dat dit recht niet onbeperkt is. Dit recht kan onder meer worden beperkt als de gezondheid of rechten of vrijheden van anderen in het geding zijn. De vraag in dit kort geding was dan ook hoe de belangen van de dochter en hun moeder aan de ene kant en de belangen van de overige bewoners en medewerkers van het verzorgingshuis en van de samenleving aan de andere kant moeten worden afgewogen en wat daarvan de uitkomst moet zijn. Duidelijk is dat de dochters door het besluit van de zorginstelling om geen bezoek toe te laten geen gebruik kunnen maken van hun recht op family life. De vraag is of de zorginstelling in redelijkheid dit besluit mocht nemen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het coronavirus binnen de locatie van het verzorgingshuis waar moeder verblijft hard heeft toegeslagen en er ook op het moment van het kort geding nog bewoners besmet zijn met het virus. De voorzieningenrechter acht het daarom gerechtvaardigd dat de zorginstelling in het belang van de gezondheid van bewoners en medewerkers en de samenleving als geheel tot ingrijpende maatregelen heeft besloten. Gezien alle onzekerheden rond het virus, en met name de Britse variant, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de maatregelen op dat moment niet disproportioneel zijn.

De vraag is dan of de zorginstelling in het geval van mevrouw V. en haar dochters een uitzondering dient te maken.

De dochters hebben aangevoerd dat op grond van de handreiking van Actiz3 zorginstellingen contact tussen hun bewoners en hun naasten mogelijk moet maken en per locatie maatwerk moeten bieden. Daarbij moet volgens de handreiking een afweging worden gemaakt tussen de veiligheid van bewoners, medewerkers en anderen enerzijds en de kwaliteit van leven van bewoners anderzijds. De voorzieningenrechter heeft aangegeven dat de handreiking niet meer maar ook niet minder is dan een hulpmiddel voor de professionals binnen een zorginstelling. In deze handreiking is ook expliciet vermeld dat de zorginstelling, de bewoners, bezoekers, naasten en professionals een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben om een besmetting van het virus zoveel mogelijk te voorkomen en dat in het geval van een uitbraak aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen, waaronder het beperken of weren van bezoek.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de zorginstelling de afweging tussen de veiligheid en de kwaliteit van leven zorgvuldig heeft gemaakt en daarbij ook maatwerk heeft geleverd, zoals door de branche-organisatie wordt geadviseerd. Daarbij heeft de zorginstelling zowel het belang van de veiligheid van bewoners, medewerkers en anderen als het belang van kwaliteit van leven van de bewoners meegewogen. Gezien het risico van nieuwe besmettingen als bezoek weer meer zou worden toegelaten en de onzekerheden rond de Britse variant kan van de zorginstelling niet worden gevraagd dat zij voor mevrouw V. en haar dochters een uitzondering maakt.

Uit dit vonnis blijkt dat een zorginstelling in de huidige situatie rond het coronavirus ingrijpende maatregelen mag nemen. Daarbij dient de zorginstelling de belangen van veiligheid van bewoners, medewerkers en anderen enerzijds en de belangen van kwaliteit van leven zorgvuldig af te wegen. Het is van belang dat deze afweging bij eventuele discussies inzichtelijk kan worden gemaakt. We adviseren u dan ook de stappen tot het nemen van een besluit goed vast te leggen.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of kunnen wij met u meedenken of u ondersteunen bij vragen in het gezondheidsrecht of aansprakelijkheidsrecht? Neem dan contact op met Anita Winter (050-3140840 of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.).

Dit is een artikel uit onze nieuwsbrief Zorg. Geïnteresseerd in de zorg en het sociaal domein? Meld u aan via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. (noem daarbij ‘nieuwsbrief Zorg’).

 

1 Rechtbank Noord-Holland 29 januari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:895.
2 Een willekeurig gekozen letter.
3 Handreiking bezoek en sociaal contact, corona in verpleeghuizen, Actiz e.a. 17 september 2020.

 

 

Pro Facto Tweets

Search